Leestijd 7 minuten

Gezondheid begint in de darmen. Paarden zijn niet anders. Er zijn inmiddels talloze onderzoeken die hebben vergeleken wat er verandert in het microbioom (“darmflora”) van de dikke darm van het paard wanneer externe omstandigheden veranderen, zoals voeding of medicatie, of in het geval van ziekten zoals koliek of hoefbevangenheid.

Steeds meer laboratoria bieden nu ook zogenaamde “darmflora-analyses” aan, waarbij de aanwezige micro-organismen worden bepaald om eventuele onevenwichtigheden in de darmflora op te sporen en passende tegenmaatregelen te nemen. Er zijn diverse onderzoeksprotocollen. Sommige laboratoria nemen gewoon de analyses over die ook worden gebruikt voor de analyse van de menselijke darmflora. Zoals verwacht komt het resultaat nooit overeen, omdat het menselijke microbioom duidelijk verschilt met dat van het paard. Terwijl mensen van nature omnivoren zijn, zijn paarden geoptimaliseerd voor het gebruik van cellulose als energiebron, wat een compleet andere darmflora vereist. Andere laboratoria analyseren alleen bacteriesoorten en negeren de complexe interactie van bacteriën met andere micro-organismen zoals schimmels, protozoa of virussen. Het spreekt voor zich dat zelfs deze analyses geen volledig beeld kunnen geven van de vraag of we te maken hebben met een “gezonde” of “veranderde” darmflora.

De “goede” en “slechte” darmbacteriën

Zelfs als we aannemen dat de bacteriën in wezen de gezondheid van de dikke darm van het paard bepalen, is het nog steeds niet duidelijk welke bacteriën “goed” en welke “slecht” zijn. Want in een systeem dat zo complex is als het microbioom van de dikke darm – zoals zo vaak het geval is in biologische systemen – is het niet zo eenvoudig om onderscheid te maken tussen “goed” en “slecht”. Alleen wanneer een vorm extreem vaak voorkomt of de verhoudingen van bepaalde geslachten omgekeerd zijn, kunnen conclusies worden getrokken over de gezondheid van het paard. Maar welke condities echt “gezond” zijn en van welke verschuivingen je een pathologische verandering moet aannemen of alleen een aanpassing aan een verandering in voeding of verzorging, is nog niet onderzocht bij paarden.

Melkzuurbacteriën behoren tot de “slechte” bacteriën, cellulose-verterende bacteriën behoren tot de “goede” bacteriën.

Het is al goed onderzocht dat een verhoogd voorkomen van bepaalde melkzuurbacteriën verband kan houden met ziekten. Het lactaat dat geproduceerd wordt door de melkzuurbacteriën zorgt ervoor dat de pH-waarde in de dikke darm daalt, wat kan leiden tot koliek of hoefbevangenheid. Dit hoeft niet altijd te eindigen in herkenbare symptomen; zowel koliek als hoefbevangenheid kunnen subklinisch zijn en leiden tot een constant gevoel van ongemak bij het paard zonder dat de ziekte zichtbaar wordt. Onderzoekers raden daarom het toedienen van melkzuurbacteriën in de vorm van probiotica of hooi af, evenals het voeren van zetmeelrijk voer, dat de toename van melkzuurbacteriën in de dikke darm bevordert. De aanwezigheid van melkzuurbacteriën in de dikke darm wordt ook geassocieerd met een verstoorde darmflora.

De “goede” bacteriën zijn onder andere de omzetters van plantenvezels, vooral cellulose, die het paard voorzien van vetzuren met een korte keten waaruit het zijn energie haalt. Het is echter nog onduidelijk welke bacteriën en vooral welke andere micro-organismen in de dikke darm betrokken zijn bij de vertering van cellulose en hoe. We weten al dat naast bacteriën ook verschillende schimmels cellulose verteren in de dikke darm van het paard en dus betrokken zijn bij de vezelbenutting. Volgens eerdere hypotheses wordt aangenomen dat er altijd sprake is van “teamwork” tussen verschillende micro-organismen en dat er niet slechts “één” type bacterie is dat de vezels afbreekt tot energie die nuttig is voor het paard. Het is echter nog niet bekend hoe de verschillende micro-organismen die betrokken zijn bij de vezelvertering op elkaar inwerken.

En zelfs tussen deze “goede” en “slechte” bacteriën is er geen precies idee van hoe het perfecte microbioom eruit zou moeten zien.

Bovendien zijn de omstandigheden waaronder de samenstelling verandert zeer gevarieerd. Naast voeding spelen bewegingsmanagement en zelfs het stressniveau hier een belangrijke rol.

Wat zeker is, is dat er een balans is tussen de verschillende bacteriën. Als dit wordt verstoord, kunnen er ziekten optreden. Maar wat “gestoord” betekent, moet nog onderzocht worden.

Hand op de vacht van een paard
© Adobe Stock / Sonja

Invloeden van geografische ligging, houderij en voeding

Als je paarden van verschillende continenten met elkaar vergelijkt, zie je dat ze elk een compleet andere darmflora hebben, afhankelijk van wat er in die regio gevoerd wordt en wat de paarden te verteren hebben. Als je dan kijkt naar gedomesticeerde paarden en wilde paarden in het betreffende gebied, zie je dat het gedomesticeerde paard meer zetmeelverterende bacteriën in de darm heeft en minder vezelverterende bacteriën. Dit geeft aan dat voeding door mensen al een aanzienlijke invloed heeft op de micro-organismen in de dikke darm. We weten echter nog niet op welk punt we moeten spreken van een ” ziekelijk verstoorde” darmflora en tot welk punt het gewoon een normale, gezonde aanpassing aan voeding is.

Een andere belangrijke factor is de huisvesting en het voermanagement van het paard. Zo kunnen bijvoorbeeld voerpauzes, zoals bij het voeren van hooi in maaltijden of via automatische hooiautomaten, leiden tot een aanzienlijke vermindering van de vezel-verteerbare bacteriën. Beweging speelt ook een grote rol – niet alleen de rustige beweging in een paddock trail, maar ook de belasting door sportprestaties. Metabole disbalansen zoals EMS worden weerspiegeld in de darmflora, maar ook stressfactoren beïnvloeden de samenstelling van het microbioom. Dit roept echter vaak de “kip en ei” vraag op: is het verstoorde microbioom de oorzaak van overgewicht? Of heeft overgewicht geleid tot een verstoring van het microbioom? Het antwoord op deze vraag is nog niet gevonden voor paarden.

Als dit nog niet genoeg verschillende factoren zijn die invloed hebben op het microbioom van de dikke darm, zijn er ook verschillen afhankelijk van het ras, de leeftijd en het geslacht van het paard en natuurlijk afhankelijk van de medicatie die het paard in het verleden heeft gekregen.

Concluderend kan gezegd worden dat het in individuele gevallen met een langdurige ziekte zoals diarree nuttig kan zijn om specifiek naar de ziekteverwekker te zoeken om het paard te kunnen behandelen.

In principe geldt echter het volgende voor de darmflora-analyses die door de laboratoria worden geadverteerd: zolang we niet weten hoe een gezond microbioom eruit zou moeten zien, kunnen we op basis van analyses niet beslissen of een darmflora pathologisch veranderd is of slechts aangepast aan de leefomstandigheden van het paard.

Wat voor alle paarden geldt, is het volgende: hooi is het beste prebioticum omdat het een hoog percentage cellulose bevat, dat de “goede” micro-organismen nodig hebben als vitaal voedsel.

Maar ook hier geldt natuurlijk – hoe kan het ook anders – dat zelfs het vezelgehalte en de samenstelling van grassen en kruiden in het hooi invloed hebben op het microbioom van de darmen van het paard.

Wetenschappelijk bewijs:

  1. Fazio, F., Gugliandolo, E., Nava
  1. Fernandes KA, Rogers CW, Gee EK, Kittelmann S, Bolwell CF, Bermingham EN, Biggs PJ, Thomas DG. Resilience of Faecal Microbiota in Stabled Thoroughbred Horses Following Abrupt Dietary Transition between Freshly Cut Pasture and Three Forage-Based Diets. Animals (Basel). 2021 Sep 6;11(9):2611. doi: 10.3390/ani11092611. PMID: 34573577; PMCID: PMC8471312.
  2. Juśkiewicz J, Fotschki B, Jaworska J, Siemieniuch M. Investigations of the maintenance system of the Konik Polski horse and its effects on fecal microbiota activity during the winter and summer seasons. Anim Sci J. 2021 Dec;92(1):e13603. doi: 10.1111/asj.13603. PMID: 34318561.
  3. Sanz MG. Science-in-brief: Equine microbiomics makes its way into equine veterinary medicine. Equine Vet J. 2022 Mar;54(2):453-454. doi: 10.1111/evj.13548. PMID: 35133025.
  4. Ang L, Vinderola G, Endo A, Kantanen J, Jingfeng C, Binetti A, Burns P, Qingmiao S, Suying D, Zujiang Y, Rios-Covian D, Mantziari A, Beasley S, Gomez-Gallego C, Gueimonde M, Salminen S. Gut Microbiome Characteristics in feral and domesticated horses from different geographic locations. Commun Biol. 2022 Feb 25;5(1):172. doi: 10.1038/s42003-022-03116-2. PMID: 35217713; PMCID: PMC8881449.
  5. Kaiser-Thom S, Hilty M, Gerber V. Effects of hypersensitivity disorders and environmental factors on the equine intestinal microbiota. Vet Q. 2020 Dec;40(1):97-107. doi: 10.1080/01652176.2020.1745317. PMID: 32189583; PMCID: PMC7170319.
  6. Gilroy R, Leng J, Ravi A, Adriaenssens EM, Oren A, Baker D, La Ragione RM, Proudman C, Pallen MJ. Metagenomic investigation of the equine faecal microbiome reveals extensive taxonomic diversity. PeerJ. 2022 Mar 23;10:e13084. doi: 10.7717/peerj.13084. PMID: 35345588; PMCID: PMC8957277.
  7. Equine Microbiome Update: Study Reviews Research, The Horse, Lesté-Lasserre C
  8. Abrupt Diet Changes’ Effects on the Equine Microbiome, The Horse, Lesté-Lasserre C