Leestijd 3 minuten

De vachtwisseling in het najaar

Verschillende levensfasen hebben een aanzienlijke invloed op de ontwikkeling van de vacht, een factor die vaak wordt onderschat. Paarden jonger dan 5 en ouder dan 20 jaar beginnen eerder met het verharen van hun wintervacht, ontwikkelen een dikkere vacht en houden deze langer vast tot in het voorjaar. Dit fenomeen is gerelateerd aan de beschikbare energie voor “opwarming”. Jonge paarden moeten hun energie omzetten in groei (en natuurlijk in stoeien en rondrennen), oude paarden hebben meestal geen optimaal lopend fermentatieproces meer in de dikke darm en het zogenaamde malabsorptiesyndroom, een aandoening waarbij ze niet meer voldoende voedingsstoffen opnemen uit de voedselbrij.

De dikke darm van het paard is een belangrijke warmtebron. Net als bij het warmte-intensieve composteringsproces of de verrotting in een mesthoop, komt er bij de verwerking van plantenvezels door micro-organismen (fermentatie) energie vrij voor het paard.

Iedereen die ’s winters wel eens zijn hand in een composthoop heeft gestoken, weet hoeveel warmte er vrijkomt. De dikke darm draagt dus bij aan de warmte van het paard. Bovendien produceert de lever energie als bijproduct van zijn diverse metabolische functies. In gevallen waar een paard beperkte porties hooi krijgt, grote pauzes tussen de maaltijden zitten (vaak 2-3 maaltijden per dag met lange pauzes, vooral ’s nachts), of gebitsproblemen heeft (jonge paarden van 2 tot 5 jaar door tandwisselingen, en oudere paarden ouder dan 20 jaar door leeftijdsgerelateerde gebitsproblemen en problemen met het kaakgewricht), of wanneer de bescherming tegen weer en wind niet voor alle paarden voldoende is om te schuilen, kan het zijn dat de interne “verwarming” niet aan de vraag kan voldoen tijdens koud weer. Zulke paarden worden gedwongen om een dikkere wintervacht te ontwikkelen die ze langer vasthouden in vergelijking met hun stalgenoten in stallen, waar hooi ad libitum beschikbaar is en stevige bescherming tegen weer en wind gegarandeerd is.

© Adobe Stock / Rita Kochmarjova

Heel veel paarden die nu in het voorjaar weer de diagnose “Cushing” krijgen, zijn vaak of gewoon normale, gezonde paarden met een dikke wintervacht of hun problemen zijn door mensen veroorzaakt door verkeerd voer- of stalmanagement. Het belasten van het organisme met medicijnen die verondersteld worden symptomen te onderdrukken die vaak niet eens aanwezig zijn, is niet alleen zinloos, maar in geval van twijfel ook schadelijk voor het paard. Daarom is voorzichtigheid en terughoudendheid bij het bestempelen van een paard met “PPID” essentieel en moeten drastische maatregelen alleen genomen worden als het paard echt onwel is en alle andere interventies geen verbetering opleveren.